Door: Salome Bonte
Er was eens een heel erg mooi eiland midden in de waddenzee. Dat eiland heette Vlieland. Op dit eiland waren 2 dorpjes: West- en Oost Vlieland. Het waren kleine maar welvarende vissersdorpjes die handel voerden met het vasteland. Voor de kost gingen de mannen vissen op de Noordzee en dan waren ze vaak dagenlang weg terwijl de vrouwen in doodsangst afwachtten of ze wel terug zouden keren want op de zee kon het nog aardig stormen en menig schip was al vergaan.
Op een dag ging er weer een vissersboot op uit. De vissers visten met hun grote netten in de zee en plots zagen de mannen iets vreemds. Er zat een vreemd wezen in een van de visnetten verstrikt. Het had de staart van een vis en het bovenlijf van een erg knappe man van een jaar of 22. De vissers keerden meteen naar hun dorp terug en zetten het wezen in een ton met water, midden op het dorpsplein. Het hele dorp stroomde erheen om hem te bezichtigen. De vissers besloten het wezen de volgende dag in Harlingen voor veel geld te verkopen. Zeer verheugd gingen alle mensen naar hun bed.
Midden in de nacht werd het eiland opgeschrikt door een vreselijke brul. Uit de zee rees een enorme man op. Hij had lange, grijze haren vol zeewier, krabbetjes, kwallen en andere weekdieren. Hetzelfde gold voor zijn baard en snor. Op zijn hoofd had hij een prachtige kroon van goud, ingezet met diamanten en parels. De mooiste van het was een prachtig fonkelende zwarte parel die midden op de voorste punt van de kroon was aangebracht. In zijn machtige rechterhand had de reusachtige man een grote, roestvrijstalen drietand die hij dreigend omhooghield. Het was Neptunus, de koning van al de zeeën en oceanen op aarde.
Neptunus riep met zijn zeer diepe basstem die galmend over het eiland klonk: “Waar is mijn zoon, jullie hebben mijn zoon gevangen genomen. Geef mij mijn zoon terug!!!” De vissers riepen terug naar de woedende heerser der zeven zeeën: ”Wie? Uw zoon? Die hebben wij niet hoor!” Ze wisten echter heel goed dat hij het wezen bedoelde die nu in de ton op het dorpsplein stond. Nu ze echter wisten dat het de zoon van Neptunus was, dachten ze:” Die gaat moooi niet terug, die brengt nu nog 10 keer zoveel geld op als we dachten.
Triton die best begreep wat er in die corrupte vissertjes omging werd verschrikkelijk kwaad en brulde: “Hier zullen jullie spijt van krijgen!!!!!!!!!!”
Neptunus riep alle walvissen bij elkaar en liet hen met hun staarten slaan. Eerst vormden zij kleine golven, De golven werden echter hoger en hoger. Ze sloegen tegen de duinen aan, werden nog hoger en al snel sijpelde er water over de duinen heen. Op een gegeven moment kwam er een golf die zo hoog was dat hij over het eiland heenklapte en de ton met de zoon van Neptunus mee in zee nam, samen met het hele dorp West-Vlieland. De dorpelingen keken hulpeloos toe vanaf het vuurboetsduin die net door het water gespaard was gebleven. Ook Oost Vlieland was er gelukkig heelhuids van afgekomen. Het was inmiddels gaan onweren en regenen. De mensen keerden drijfnat terug naar hun huisjes.
De volgende ochtend was het nog niet voorbij. Neptunus had alle krabben en kreeften de opdracht onder het eiland te gaan graven. Zo groeven ze met zijn allen het eiland los. Toen beval Neptunus alle walvissen het eiland weg te duwen tot aan de noordpool, waar het ook toen al afschuwelijk koud was. De walvissen namen het eiland met zich mee. Langzaam maar zeker dreef het noordelijker en noordelijker. De Vlielanders werden heel erg bang en overlegden met elkaar over wat ze moesten doen. Toen herinnerde iemand zich ridder Jan. Ridder Jan was een ridder die vlak bij Leeuwarden woonde en met de dieren kon praten. Dat leek de Vlielanders wel praktisch dus roeide een van hen zo snel hij kon naar het vasteland toe. Toen hij na enkele dagen zwoegen in Harlingen aankwam, zag hij daar tot zijn grote vreugde ridder Jan al staan. Nu hoefde hij gelukkig niet ook nog helemaal naar Leeuwarden toe te gaan. Hij legde Jan de hele situatie uit en deze wilde erg graag helpen. Snel sprongen ze in het bootje en kwamen na anderhalve week weer bij Vlieland aan, dat nu ongeveer ter hoogte van IJsland lag. De Vlielanders haalden opgelucht adem. Misschien kwam alles nu toch nog goed.
Ridder Jan sloeg zijn tent op in een open weide in een bos midden op het eiland. Hij ging de ochtend na zijn aankomst op een duintop staan en riep zo hard hij kon: “Neptunus!!!!!”
Neptunus rees op uit het water en brulde terug: “JAAAA!!!!!” Ridder Jan, die zag dat Neptunus aardig chagrijnig was, vroeg nu veel vriendelijker: “Waarom geef je de eilanders geen kans? Waarom drop je ze in een ijskoud klimaat zonder kans dat ze overleven? De helft van de bevolking is dakloos en al hun kleding en eten is verdwenen in de zee en u hebt toch uw zoon terug? Kunt u ze niet ééén klein kansje geven????? Alstublieft?????”
Neptunus dacht heel diep na. Hij wilde dat de Vlielanders hun straf niet ontging maar hij wist niets te verzinnen dat de argumenten van de ridder omver kon werpen. Toen zei hij: “Okay, ik geef ze een kans. Deze nacht verstop ik deze parel (en hij wees naar de prachtige zwarte parel op zijn kroon) ergens op het eiland. Wanneer jullie deze parel voor zonsondergang over drie dagen vinden, zal ik het eiland terug naar de waddenzee laten duwen. Anders blijft Vlieland voor altijd op het noordelijkste puntje van de Noordpool liggen.” Ridder Jan, die wel zag dat er geen grotere kans inzat, stemde toe.
Die nacht gaf Neptunus een klein krabbetje de opdracht de zwarte parel zo goed hij kon te verstoppen. Het krabbetje kroop op het land en verborg de parel in een klein stekelbosje.
De volgende ochtend kwamen de dorpelingen allemaal bij elkaar. Ze waren heel erg wanhopig. Ze kwekten en kwaakten en schreeuwden door elkaar heen tot ze zo gek werden van hun eigen gezeur dat ze ridder Jan wakker maakten. Ridder Jan zei: “Stil maar, ik heb de misschien de oplossing voor het probleem. Hij riep alle duinkonijntjes bij elkaar en vroeg hen de parel te zoeken. Overal op en in de grond moesten ze kijken. Meteen huppelden de konijntjes weg en speurden overal. Die avond lag er voor Jan’ s tent een gigantische hoop kleine zwarte bolletjes. Jan keek eens goed. Dat leken wel……..konijnenkeutels. Voor de zekerheid werkte hij de hele berg door om te kijken of misschien toch de parel ertussen zat maar het enige resultaat was dat de hele berg nu niet links, maar rechts van de tent lag. Met een diepe zucht viel de doodvermoeide ridder in slaap.
De volgende ochtend riep ridder Jan alle vogels bij elkaar. Meeuwen, scholeksters, enz… Hij gaf nu hen de opdracht vanuit de lucht zo goed zij konden te zoeken. De vogels zwermden meteen uit en zochten de hele dag lang. Toen ridder Jan s’ avonds voor zijn tent keek lag daar een enorme berg glanzende zwarte…….vogelbessen. weer onderzocht hij de hele berg maar nee hoor, hij vond de parel er niet tussen. Weer was alleen maar de berg verschoven van de ene kant naar de andere kant van de tentopening.
De derde dag liet ridder Jan alle mensen en dieren tegelijkertijd zoeken. De hele dag door zocht iedereen zich rot maar niemand vond de parel. Die avond verzamelde iedereen zich voor Jan’ s tent. Alle mensen en dieren waren radeloos en ook ridder Jan zag nu geen oplossing meer. De zon zakte langzaam maar zeker verder en verder de hemel af en verdween al achter de duintoppen. Iedereen liep snel de duinen op om vervolgens de zon langzaam in zee te zien zakken. Er begonnen zich kringen in het water te komen en de mensen wisten dat Neptunus nu elk ogenblik kon verschijnen. Alleen het bovenste topje van de zon was nog te zien.
Ineens hoorden de mensen een zacht geritsel. Ridder Jan keek omlaag en zag aan zijn voeten een klein stekelbosje lopen. Toen hij beter keek zag hij dat het een klein, oud egeltje was. Het egeltje was erg moe want het had drie dagen achtereen gelopen om op tijd bij de tent van ridder Jan aan te komen. Ineens zag ridder Jan iets tussen de stekels van het egeltje fonkelen. Hij bukte en tussen de stekels van het egeltje uit haalde ridder Jan…..de zwarte diamant die nu nog mooier was dan ooit.
Op hetzelfde moment ging de zon onder en ridder Jan rende snel naar het strand en riep: “ Neptunus!!!!!! Neptunus!!! Ik heb de diamant!!!!” Neptunus baalde verschrikkelijk toen hij dit hoorde. Hij moest zich wel aan zijn belofte houden. Hij beval de walvissen het eiland terug te duwen naar waar het vandaan kwam. Netjes tussen Texel en Terschelling in. De walvissen waren ook nogal chagrijnig want nu moesten ze dus dat hele stuk weer terug. Maar ja, ze moesten wel.
Toen het eiland eindelijk weer was waar het thuishoorde, was er nog 1 probleem. Hoe kon het op zijn plaats gehouden worden? Het eiland dreef langzaam iets naar achteren tot kwam ridder Jan weer met een zeer slim plan kwam. Hij liet de Vlielanders de hoogste en stevigste dennenboom kappen die op het hele eiland te vinden was en daar werden alle zijtakken vanaf gehaald. Deze boom boorden ze door het eiland heen en zetten zo het eiland zeer stevig in de zeebodem vast. Deze paal stond precies op de open plek waar ridder Jan zijn tent had. Later werden hier nog vaak door mensen tenten neergezet en werd de open plek een camping die de mensen naar de lange boom vernoemden die het eiland op zijn plaats hield en nog steeds houdt.