Overstappen op volle zee


Zo, nu eens wat uit de oude doos.
Zoals de Vlielanders wel weten is de verbinding met Harlingen in de jaren voor 1962 niet te vergelijken met de dienst die er nu is. Er is een tijd geweest dat de zomerdienst per 1 september afgelopen was. De kleine Vlieland ging dan tweemaal per dag naar de rede van Vlieland ( 'de Vlieree') om daar bij de boot, die van Terschelling of uit Harlingen kwam, langs zij te gaan en de post en passagiers over te nemen. Om kwart voor acht vertrok ze van Vlieland voor de passagiers op weg naar Harlingen en om half drie om de passagiers die van Harlingen kwamen, weer over te nemen. Ook kwamen er wat vrachtgoederen mee, maar het meeste kwam met schipper Boon. De beurtschipper ging maar n keer in de week en dan werden de winkels bevoorraad.

Dat het overstappen niet altijd makkelijk was, wil ik nog wel even melden. De boten van Terschelling gingen ook niet voor anker, maar de machines draaiden langzaam door en we lagen dan met de kop op de stroom. Er stoof dan soms flink wat water tussen de schepen door en er werd vaak een nat pak gehaald. De passagiers stapten op het achterdek over waar een loopplank lag en daar stonden de matrozen om een handje te helpen als dat nodig was. Het kwam het wel voor dat het niet lukte om met het schip langszij te komen en als dat 's morgens was moest het schip door naar Harlingen en als het 's middags gebeurde, dan zochten de schepen de beschutting van Terschelling op voor het overstappen. Het aantal personen wat er vervoerd werd, was de moeite niet en met slecht weer was het helemaal pet. We hebben het n keer gehad dat we maar n passagier aan boord hadden. Ze had geen mooie reis en was ook niet fit toen ze van boord ging, maar zeeziekte kwam toen veel voor.
Op 24 december gingen we wel naar Harlingen want dan werd het druk, soms wel 80 passagiers. We mochten 350 personen vervoeren en dat aantal werd in de zomer wel eens gehaald.



foto: collectie BTh. Gernaat
van: www.schepenvandoeksen.nl

Het vrachtgoed dat met de boot mee kwam, moest natuurlijk ook bezorgd worden. Dat gebeurde door Dirk Bruin, dat was de man op de wal en verder waren we met zes personeelsleden. Bruin had een handkar en die werd op de steiger geladen. Bij hem werden de kleine pakjes gebracht, die weer naar Harlingen moesten. Bij de eerste fluit (een kwartier voor vertrek) kwam Bruin met de kar en de adressentrommel de steiger op om ze aan boord te plaatsen. Op de Vlierede werden de spullen overgegeven aan de Terschellinger boot.


Bruin had een handkar en die werd op de steiger geladen. Dirk Bruin, Jouke van Keulen en z'n zoon Gerrit 1930
foto: archief Dirk Bruin jr.

Nu ga ik wat te snel want we waren bij de eerste fluit. De tweede was 5 minuten voor vertrek en 3 keer fluiten was het vertreksein, net als nu. Het eerste fluitsignaal is in de loop der jaren vervallen. Toen Bruin ons verliet kregen we Cees Tot. Hij deed de vracht met paard en wagen en dat viel voor het paard niet mee. Wij moesten vaak helpen om op gang te komen, want het paard gleed uit op de houten planken van de steiger. Cees Tot had het al snel bekeken en stopte er mee. Er kwam snel een opvolger; Bram met een vrachtauto. Het was een hele toer om de steiger op en af te rijden, want er was weinig ruimte tussen.de auto en de leuning van de steiger.

Omdat er meer drukte kwam en ook meer vrachtgoederen, kwam er nog een auto bij. Deze was voor de goederen die naar de duinhuisjes moesten en voor de kisten van de kampeerders. In het hokje op de steiger was het vaak gezellig; we stonden dan te wachten op het vertreksein en dat liep nog wel eens uit. Bij helder weer zagen wij de boot uit Harlingen aankomen en konden we goed inschatten wanneer we moesten vertrekken; wij hadden een half uur nodig om op de Vlieree te komen. Het wachten in het hokje op de steiger was gezelliger dan het wachten op de ree; de verhalen van vroeger deden dan de ronde.

Zo al met al een mooie tijd, al was het ook wel eens minder prettig. Dit laatste vooral bij een harde zuidwesten wind, want dan moesten we bij de steiger weg en werd de boot naar de haven gebracht.
We lagen dan in de mond van de haven en als het de volgende morgen nog slecht was, vertrokken we ook uit de haven. Bram ging dan met de auto bij de steiger staan en wie mee wilde kon met hem meerijden naar de haven. En van ons keek dan nog op de dijk of er iemand aan kwam en als we niets zagen konden we vertrekken. Bij mijn weten heeft nooit iemand de boot gemist als we uit de haven vertrokken. Toen de Veerdam werd aangelegd, was dat voor ons ook een hele verbetering. We hadden geen last meer van de zuidwesten wind. Alleen bij zeer hoogwater moesten we aan boord blijven. Als dat in de nachttijden gebeurde, dan werd ik gebeld en waren we meestal met z'n tween aan boord. Als er te veel water op de kade kwam moesten we de walstroom los maken en een hulpmotor starten voor de stroomvoorziening.
uit: De Vliezier (27 mei 2005) - Meilom Hoedemaker


foto: fotograaf onbekend, collectie Jan Leenstra
van: www.schepenvandoeksen.nl